In N
By Toon Tellegen
Translated by Clare Nicolas White

I

In N. verloor ik iets

wat mij zeer dierbaar was, 

ik zocht overal,

wist niet waar ik het gelaten had

en verloor 

de hoop het te vinden

en toen de angst het nooit meer te vinden. 

Ik dacht en sloeg mijn ogen neer,

vergat de weg waarlangs ik ging

en toen de geur van hout en teer, de kleur

van as,

en ik vergat een jaar en een dag,

zat op een bank in een park 

zolang ik mij kon herinneren,

kon geen tijd meer vinden,

wist niet meer wie ik was, die man

die daar zo peinzend zat

alsof hij aan iets dierbaars dacht.

II

Ik was op weg naar N.

Er bloeiden paardebloemen om mij heen.

‘Mijn paardebloemen,’ hoorde ik zeggen,

‘stel je eens voor, mijn onbekende, miljoennen pluisjes, 

spoedig, in de wind!’

Uit een greppel klonk gegil.

 ‘Mijn gegil,’ zei de onbekende,

‘stel je eens voor…!’

III

In N. was iets kleins, 

uitzinnig klein was het,

maar nog niet klein genoeg.

En men liet het verdorren, 

minachtte het

en gooide het weg.

Toen liep men langs lommerrijke straten,

men liep heel statig,

stond stil,

las het eerste woord van ‘Ik

ben zo alleen’,

weerspiegeld in de ramen.

En er begon iets te dagen in N., 

er kraakte iets in de takken

van geweld.

IV

In N. ontmoette ik de onverschilligheid. 

‘Waar is je hart?’ vroeg zij.

Zij wilde erop trappen. 

Honden blaften,

ik haalde mijn schouders op.

‘Ik ben het kwijt,’ zei ik

en zij liep door.

Mijn hart sprong op, ging wild tekeer.

‘Stil,’ zei ik. ‘Hou je toch stil.

Ik zal je nooit verraden.

En verder liep ik door de straten,

in het licht van kille lantaarns

en de twijfel haalde mij in, liep met mij mee.

‘Ik heb alle tijd,’ zei zij. ‘Waar gaan wij heen?’

V

In N. zag ik de dood, op een avond, 

tor zijn knieën in het water-

schoon was hij, maar ik kon nog net 

iets lelijks ontwaren,

achter hem, in het riet,

dát wist hij niet—

maar hij kwam niet nader,

stond alleen maar stil en heel dichtbij.

VI

In N. is de wanhoop klein

en zeer bescheiden.

Zij houdt van achtergronden daar,

stelt soms bedeesd een vraag:

‘Bent u verrast dat u mij ziet? Ik stoor

toch niet? Of had u mij verwacht?’

Haar nagels zijn gelakt, maar onopvallend, 

en zelden zal zij bedwelmen met een parfum. Zij wacht bij elke deur

tot iedereen vertrokken is

-wat is zij grijs, denk ik-

slaat dan haar armen om mij heen,

trekt mij zachtjes met zich mee.

VII

Hoe somber is het’s winters in de regen 

in N.!

Dan loop ik dicht langs de huizen,

van huis tot huis.

Soms grijpt een huis mij beet, trekt mij

naar binnen,

slaat mij met één kus in elkaar,

duwt mij in een la-

hoe warm is het daar tussen de voiles

van vergeten dames,

hoe nerveus schuiven kousen langs elkaar,

raakt een handschoen mij soms aan!

VIII

In N. hoorde ik een stem

die riep: ‘Wie troost mij hier?’

en ik keek om

en in het licht van de ondergaande zon

zag ik de mensen metend het onmetelijk verdriet.

Ik zag linialen, latten, duizenden passers

en wie niets om te meten had

gebruikte handen, armen

en zei: ‘Zeer groot,’ ‘Enorm’ of

‘Tamelijk reusachtig.’

Maar toen men het ten slotte nauwkeurig dacht te weten

en achterover leunend zijn handen vouwde in zijn nek, 

toen ripe die stem, van ver,

over het peilloze water:

‘Wie wáágt het…!’

En men boog hoofden,

“…dus nog groter…”,

men mompelde verstoord.

IX

In N. zag ik een verdwaalde kogel,

ik zag hem een hoek omslaan.

De straat was leeg en achter mij werd gegeeuwd

en roekeloos verveeld

en ik had pijn,

maar ik wist niet waar.

De kogel vloog voorbij, keerde terug, stond stil, draaide zich om en floot.

Verdwaald! Misschien te laat!

Toen vloog hij door mijn raam.

X

In N. morste men met leven. 

‘Mors toch mee!’ zei men

en wiste het zweet van mijn gezicht,

gaf mij een koord om op te dansen,

‘Denk nú aan iets anders,’ zei men

en ik dacht aan rozen, rivieren en een plotselinge storm

en een gemompel klonk op.

‘Wat morst hij toch prachtig!’

hoorde ik nog.

XI

In N. stond ik stil en hoorde ik een snik.

Ik moest mijn oren spitsen.

Het geluid was zacht,

kwam van heel dichtbij.

Ik boog mij voorover, dacht

dat ik op iemand had getrapt.

De zon scheen, maar het was koud

en na een zeer lange tijd die ik mij eigenlijk niet goed

kon voorstellen

en terwijl ik mij tamelijk vals en noodlottig voelde

verzette ik één voet

en hoorde die snik opnieuw,

nóg zachter en triester,

van nóg dichterbij.

En weer dacht ik dat ik op iemand had getrapt. Iemand die uitgeput was.

XII

In N. stond ik op de grond

en ik zag kraaien die zich vergaten

op half vergane daken, meeuwen die beminden

in een wolk van witte veren.

Toen vloog ik op.

Maar nergens scheen de zon.

En ik werd besprongen door de angst: zijn schorre lach-

“Sst, ik ben zo weer weg!’-zign snavel in mijn nek.

Zwanen sloften door de straten,

keken verbaasd omhoog.

‘Sst, ik ben bijna klaar!’-de angst,

hij liet mij niet meer gaan.

XIII

In N. zag ik de dood.

Hij knakte rozen en sloeg zich op zijn borst,

maar uit besheidenheid,

trok de haren uit zijn hoffd,

maar uit verveling,

wond zich op en geeuwde

en liep toen door.

Wij waren slakken, riep hij nog, van een regenachtig soort

wij wisten nergens iets van af!

Ik was moe,

maar niet voorgoed.

En plotseling wist ik:

dát is dus zijn richting. 

Of liep hij soms in cirkels? 

Liep hij om mij heen?

XIV

In N. bezocht ik kantoren.

Zij openden hun deuren

en werden toen opdringerig, smoezelig, hinderlijk.

Het ene kantoor kneep in mijn enkels

en het andere blies in mijn nek.

‘Wij willen u bezitten,’ sisten zij,

ik glipte haastig weg.

De kantoren hijgden, hikten en reipen mij nog na

dat ik wat hun betreft wel mocht vergaan

en uit hun ordners mocht verdwijnen,

zíj waren wel wijzer!

In N. bezocht ik ook salons

en woedende paleizen.

XV

In N. had het leven iets van een dikke juffrouw die kirt en kakelt

om niets,

haar handen eeuwig afveegt aan een schort en alles weet van pannekoeken, vogelvoer

en rare geruchten.

Ik herinner me hoe ik eens een hoek omsloeg

in N.

en meende dood te gaan

en toen het gekir weer hoorde

en wist dat ik op zijn minst onsterfelijk was.

XVI

In N. was ik ontgoocheld en begon ik heel voorzichtig

te gillen.

Ramen werden geopend.

Fietsers stapten af, bogen hun hoofden,

en iemand die van een brug af sprong werd plotseling een vogel,

kraaide,

vloog rakelings over het water,

vroeg zich wanhopig af

wat hij had misgeschat.

In N. kon men de angst uit stroopvaten scheppen.

‘Dik uitsmeren,” zei men daar.

In N. liet men adders los.

XVII

In N. zocht ik mijn moeder op.

‘Zo zo,’ zei zij, terwijl zij mijn maat nam,

mij in een zwart kostuum stak,

mij wenkte haar te volgen.

Zij had een snelle pas, ik moest telkens hollen.

Maar voor ik buiten adem was

sprong zij opzij, in een gat, achter een heg,

tussen bloeiende heesters.

Lijsters zongen daar, muggen gonsden

en toen zij goed en wel lag

en al haar rimpels glad gestreken had

keek zij omhoog

en wees zij naar mijn lippen, liet mij zachtjes zingen

-zwaaide zelf nog even mee:

‘Laat mij, laat mij toch alleen.’

XVIII

In N. mocht ik altijd vrolijk zijn.

‘Ga je gang! Natuurlijk!’

En als ik vriendelijk wilde zijn waren er vrienden in overvloed,

en onbekenden.

Maar toen ik vroeg of ik mij geen raad mocht weten

met mijzelf,

toen zei men: ‘Nee,’

met ijzige stemmen.

Ik zuchtte dat mocht nog net.

Boog mijn hoofd-desnoods.

Dacht aan de dood-

‘Waarom loopt u niet over rozen,’ vroeg men, ‘prijst u de dag niet en uzelf?’

De lucht werd wit, kraaien zaten op draden, weigden langzaam heen en weer. ‘Waarom,” vroeg men in N., ‘waarom staat u nu stil?’

XIX

In N. was ik ongevoelig voor gevaar

en liet mijn zorgeloos doden.

Men aarzelde met een kogel,

of wilde ik een mes?

Een mes was wel so elegant.

Ik had geen angst.

‘Alle angst is trouwens op,’

hoorde ik zingen.

Maar toen het mes begon te blinken

zag ik de schaduw van de angst,

hoorde ik het kakelen van de angst,

zag ik zijn sprongetjes van verbazing. Veertjes warrelden omhoog.

XX

In N. was ik buitensporig moe. 

Ik vroeg uitvoerig om hulp,

maar niemand snelde toe.

‘Wij zien u gaarne lijden, al is het slechts een wijle,’

schreef men mij

en men verwees mij naar mijzelf.

Ik jammerde omstandig, riep langdurig ‘Help,’ viel dikwijls in modder, werd altijd gevonden,

maar nooit gemist

en geen sprankje hoop verspreidde enig licht

in mij.

‘Wij staan u nimmer terzijde’ liet men in N.

op muren schrijven.

Toen kwam een schokkend einde

nieuwsgierig dichterbij.

XXI

In N. kon ik de slaap niet vatten.

Wild waren mijn gedachten

-eigenlijk zou je, maar éígenlijk zou je, of liever nog…

Zij gingen ervandoor,

sloegen hoeken om

en lieten mij daar achter,

verschrikkelijk wakker.

En op mijn muren werd gebonkt,

en er werd gefluisterd, gegild en iets gesmoord,

er brak iets uit

en er riep hoestend iemand om zijn god.

De slaap waarin ik viel was minuscuul

en dor.

XXII

In N. stormde een vrouw op mij af.

‘Bezeer je nu!’ Zij gilde.

Ik was zeer beminnelijk die dag

en viel met de grootst mogelijke liefde voorover

op een bed van bloeiende rozen.

Toen ik opkeek stond zij in brand.

‘Doof mij,’ zei zij zacht,

gaf mij een glas

met water en een wolkje wijn,

trok mij overeind,

en wij leden niet verde meer,

die dag.

XXVIII

In N. zag ik de doden

vermoeid hun jas dichtknopen, opstaan

en langs lanen lopen.

Zij zagen mij amper.

‘Was ik niet verdronken?’

vroeg een van hen somber.

‘Nee, dat was ik,’ zei een ander.

‘En ik?’ vroeg iemand dof.

‘Hoe kwam ik ook alweer om?’

‘Kijk,’ zei een van hen, ‘daar is een muur.’

Zij stonden stil bij mijn gedachten,

lacten schamper,

schopten hier en daar iets in de war.

XXIV

Men stampvoette in N. en krijste,

maar zó verstild en lijzig…

men haatte zacht, bijna donzig,

het rood dat men aanliep neigde naar roze, als vlinders

beet men van zich af.

Men droomde langzaam en verlegen van hoogmoed, vraatzucht,

sloeg met lucifers op tafels,

sprak fluisterend van straks, misschien, of later…

en heel omzichtig droomde men zich misselijk.

Tot men zeker wist dat men leed.

Dan keek men om zich heen,

wankelde

en weende.

XXV

Er woei een dorre wind door N.

en iemand schoot mij aan,

vroeg of ik iets miste, het gaf niet wat,

iets moois misschien, iets lichts, of iets van zilver…

Ik dacht na,

de ander drong aan,

tenoren zongen-hoog en laag:

“Er moet iets zijn! Er moet iets zijn!’

Maar ik wist niet wat.

‘Helaas,’ zei ik.

Toen zag ik niemand meer,

wist het weer

en rilde.

XXVI

In N. was ik gesloten.

Men rammelde aan mij, bonsde op mij,

liet voetstappen wegsterven, toen.

Maar men kwam terug,

sloeg gaten in mij en drong naar binnen,

keek in het rond, zocht, riep,

verstond elkaar niet.

Zoveel echo’s ook! En zoveel kamers!

Men vertrok, onverrichter zake,

en ik bleef achter, kil en vervallen,

en het regende in

en mijn muren bladderden af, onkruid groeide tot mijn dak

en er holden muizen door mijn gedachten- lange gangen vol stof en ontzag.

XXVII

Er viel een dichte regen in N.,

water kolkte door de straten,

zocht iets om mee te sleuren,

vond een roos

die op het punt stond te vergaan, een rode roos,

brak hem af, nam hem mee, met tomeloze vaart,

liet hem rondtollen, tegen huizen botsen,

steeds wilder, sneller,

tot hij werd ingehaald

door een man-ik meen dat ik dat was-

die wegdreef naar de zee.

XXVIII

In N. stond ik voor een etalage

vol houten bonbons en marmeren taarten

en mijn glimlach was die etalage

en mijn verbazing die avond, zo verlaten

aan de rand van het bestaan.

XXIX

In N. mocht ik mijn leven overdoen.

Maar ik moest snel beslissen.

De zon scheen

en ik had juist iets minder pijn

dan ooit,

en mijn leven liep door,

liep haastig verder,

begon plotseling te rennen,

riep nog achterom:

‘Waar blijf je toch?’

XXX

In N. lag ik op een uiterst klein sterfbed,

kreeg kramp in mijn voeten,

werd woedend,

riep: ‘Wie is hier mijn broeder?’

sprong op

en leefde door.

‘Bestaat niet,’ zei men.

Maar ik liet in mij knijpen,

riep ‘Au,

en werd geloofd.

‘Ik ga nooit meer dood!’ zei ik. ‘Nooit.’

Maar reeds werd een reusachtig sterfbed gesmeed

onder mijn ramen,

ik hoorde het klinken en zagen

en van ontelbare stemmen het gezang:

‘Voor mij en iedereen…’

Ik zweeg.

XXXI

Soms zocht ik tevergeefs naar N.,

groef in de sneeuw naar N.,

zond kraaien uit om N. te zoeken.

Zij kwamen terug, hun vleugels bloedden,

hun snavels afgeknipt.

‘Er is iets mis!’ riep ik.

‘Of kom niet terug!’

XXXII

In N. trok ik mijn gevoelens in twijfel,

verwierp alles wat ik dacht,

bestreed dat ik ook maar iets aan mijzelf had. Maar de wind stak op, klapperde met ramen. Mijn gedachten staakten,

ik boog mijn hoofd

en vroeg een ogenblik van stilte

voor het trillen van mijn lippen.

Maar de wind bleef razen

en terwijl ik rilde

vroeg ik mij af:

ben ik ontroostbaar nu,

zou ik moeten snikken

of is verwijfelen genoeg?

Maar de wind tilde mij op,

hild mij voor stof,

bepaalde mijn lot.

XXXIII

In N. vond ik het vuur

waarmee ik wilde spelen.

‘En wil je me ook,’ vroeg ik, ‘verteren

als ik verlies

of niet meer weet

hoe ik verder spelen moet?’

Het vuur loeide,

likte aan mijn voeten.

‘Deins terug!’ knetterde het,

maar ik wist niet wat het bedoelde.

XXXIV

In N. wees men mij op de gewichtigdoenerij van het verlangen,

ik hoorde hoe omstandig het zijn zuchten slaakte,

voelde de potsierlijke strelingen van zijn vingers

die van hunkering blaakten,

terwijl zijn dwaze beloftes

struikelden over hun woorden, zich verdrongen voor het glas

waarachter alles al te glinsteren lag

wat weldra onontkoombaar was.

In N. kocht ik toen hoongelach,

in een papiertje gewikkeld, leek heel lekker, slenterde smikkelend verder,

liep me innig tevreden dood.

XXXV

In N. waren de huizen gek,

wrongen zich in bochten,

hoorden stemmen op hun zolders:

‘Stort in!’

en stortten in.

Ik holde weg,

maar hun deuren kwamen mij achterna,

in elke deur een achterdochtig raam,

klemden zich aan mij vast,

ontdekten wie ik was

en dwongen mij

tot eerbare gedachten.

Toen sloegen zij dicht,

schoven grendels voor mijn gezicht.

XXXVI

In N. verhief ik mij. Op een dag.

Mijn ribben tekenden zich af

en ik werd door de zon beschenen.

Ik neuriede. Ik was alleen. Niets onmogelijks was mij vreemd.

Het was zomer

en ik verhief mij steeds hoger.

Als een leeuw hing ik daar-mijn manen

trokken mij omhoog.

Onder mij drong men naar voren,

vloekte, gromde:

‘Laat iets van je horen,’

wachtte, knarsetandde.

En nóg liet ik na te brullen,

neuriede iets treurigs,

schrijnends.

Maar ik wuifde.

En men riep: ‘Desnoods

staan wij dit toe!’

Balde vuisten.

Vrijheid.

XXXVII

In N. vroeg men: ‘Aan wie denk je?’

‘Aan niemand,’ zei ik.

‘Denk dan aan jou,’ zei men.

En ik dacht aan jou-

en men liet rozen bloeien en schielijk weer verwelken,

liet een stokoud scheepje op een zandbankje vergaan,

bij het licht van een onooglijke maan,

terwijl ik dacht aan jou,

niet wist of ik ooit iets anders denken zou.

XXXVIII

In N. zag ik een net –

‘Hier zijn de mazen!’- waardoor iets was ontsnapt.

Maar wat?

Men wist het niet,

sprak van verdriet, geluk, gedane zaken. 

‘Zoek het maar op,’ zei men

en ik liep, als een vinger langs snaren,

langs alle straten

en ik zag de regen die op mij zou vallen

en rimpels zag ik en onuitroeibare gedachten en in een haven zag ik kwaadaardig water

en ik leerde huiveren

en hoe ik mijn ogen moest neerslaan

en hoe ik moest breken met mijn geweten,

en het knarsen van mijn ziel onder mijn voeten hoorde ik

en ik zag hoe streng men de hartstocht bewaakte.

Somber scheen de zon

en het werd avond

en heel voorzichtig raakte ik buiten zinnen,

toen.

Zo ging ik daar

en het verdriet liep voor mij uit, als een hond, leek wel te huppelen soms,

wees mij de weg.

XXXIX

In N. sprak een stem,

langzaam en scherp,

op een dag van regen en wanstaltigheid:

‘Ik kan niet meer, ik kán niet meer.’

En ik stond stil en hief mijn handen ten hemel. En er viel een wonder naar beneden,

viel voor mij op de grond,

maar voor ik het kon beleven

stond een voet er al, ach, hoe per ongeluk ook, op,

en weer sprak die stem,

hief ik mijn handen ten hemel.

XL

In N. sprak ik de dood.

‘Wees maar niet bang,’ zei hij.

‘Waarvoor?’ vroeg ik.

Dat wist hij niet. Maar hij had het koud,

zei hij,

blies op zijn vingers,

vroeg of ik wilde rillen

en terwijl wij daar zo stonden in een eigenaardig soort slijk

en blauw werden, zelfs al grijs,

zonder nog iets gezegd te hebben,

kwam het leven voorbij-

het leek wel te strompelen,

wit en krom.

‘Sst,’ zei de dood. ‘Kijk maar niet om. ‘Waarnaar?’ vroeg ik.

XLI

In N. begon ik te ontbreken,

was plotseling verdwenen. Niets

herinnerde aan mij.

Het waren vreemde dagen.

Mijn zuchten lieten zich niet meer slaken

en mijn ontroering zocht mij in al mijn laden,

mijn mooiste herinnering zat in een hoek,

wist niet aan wie zij denken moest,

terwijl mijn wanhoop danste, met niemand

in haar armen,

eindelijk verlost

van mij.

XLII

In N. zag ik een pen

die zwalkte door de straten-zo verlaten

was die pen,

en helemaal allen, zonder vingers,

beschreef hij N.

Geen storm kreeg vat op hem, hij schreef en schreef.

En ik die alles had kunnen lezen, alles had kunnen weten,

ik had altijd haast,

moest een fatale misstap nog begaan,

ik had het zo beloofd,

verloor hem altijd uit het oog.

XLIII

In N. viel ik in het water,

het was bijna avond

en men liet roepen-uit reddingssloepen:

‘Te zijner tijd wordt u gered, maar niet

alvorens het te laat is!’

‘Te wat is?’

‘Te laat,’ riep men. ‘Te laat!’

De horizon, de huizen, de glinsterende golven…

De zon ging onder

en zo wordt het te laat,

langzaam aan voorgoed te laat

en kan het redden eindelijk beginnen.

I

In N. I lost

what had been dear to me. 

I searched high and low wondering where I’d left it

and gave up hope of finding it

and the fear of never finding it again.

I puzzled with downcast eyes,

forgot which way I had come

and then the smell of wood and tar, the color

of ashes,

and I forgot a year and a day,

sat on a bench in the park

for as long as I could remember,

could no longer find time,

no longer knew who I was, that man

sitting there so thoughtfully

as if he were thinking of something dear to him.

II

I was on my way to N.

Dandelions bloomed all about me. 

“My dandelions,” I heard it said,

“just imagine, my unknown, millions of fuzz, hastening, in the wind!”

From a ditch came the sound of screaming. “My screaming,” said the unknown,

“just imagine…!”

III

There was something small in N., 

it was infinitesimally small

and yet not small enough.

It was left to wither,

it was despised

and thrown away.

Then one walked through shady lanes,

one walked with great dignity,

stood still,

read the first words of “I

am so alone”

reflected in the windows.

Then something began to dawn in N., something stirred in the branches 

like violence.

IV

In N. I met indifference.

“Where is your heart?” she asked.

She wanted to tread on it.

Dogs barked,

I shrugged.

“I lost it,” I said

and she walked on ahead.

My heart leaped up, went wild. 

“Quiet,” I said. “Do be quiet.

I will not betray you.

And I walked on through the streets

by the cold light of lanterns

and doubt caught up with me, walked along with me.

“I have all the time in the world,” she said.

“Where are we going?”

V

One evening in N., I saw death 

standing in water up to his knees- 

fair he was, yet I was just able 

to discover something ugly, 

behind him, in the reeds,

this he was unaware of- 

but he did not approach,

just stood there motionless and very near.

VI

In N. despair is small

and very humble.

She keeps in the background,

asks at times a timid question:

“Are you surprised to see me? I’m not disturbing, am I? Or did you expect me?” 

Her nails are polished, but inconspicuous, 

and rarely does she overwhelm with perfume. She waits behind each door

till everyone has left

-how gray she is, I think-

then throws her arms about me 

and gently draws me to her.

VII

How somber is the rain in winter 

in N.!

Then I walk close to the walls,

from house to house.

Sometimes one house grabs me, pulls me

inside,

fells me with one kiss,

throws me in a drawer-

how hot it is there between the veils

of forgotten ladies,

how nervously stockings rub against each other,

or at times a glove brushes against me!

VIII

In N. I heard a voice

that called: “Who will console me?” 

and I looked about

and in the light of the setting sun

I saw people measuring measureless sorrow. 

I saw rulers, tapes, thousands of compasses

and whoever had no measuring instrument used hands, arms

and said: “Quite long,” “Enormous,” or 

“Fairly gigantic.”

But as soon as someone finally assumed to know it all

leaned backwards, hands clasped behind his neck,

then that voice called from far away,

across the fathomless deep:

“Who dares…!”

And heads were bowed,

“…still greater then…”

was the distressed mumbling.

IX

In N. I saw a stray bullet,

I saw it turn the corner.

The street was empty and behind me there was yawning

and reckless boredom

and I had a pain

but did not know where.

The bullet flew by, returned, stood still,

turned about and whistled.

Lost! Perhaps too late!

Then it flew through my window.

X

In N. life was being wasted.

“Come, join our wastefulness!” they told me

and wiped the sweat from my brow,

gave me a rope on which to dance,

“Think of something else,” they said

and I thought of roses, rivers, and a sudden storm

when a murmur arose.

“How splendidly he wastes!”

I could hear them say.

XI

In N. I stood still and heard a sob.

I had to prick up my ears.

It was a soft sound,

come from very near.

I leaned over and thought

that I had stepped on someone.

The sun shone, but it was cold

and after so long a time that I had trouble

imagining it,

and while I felt fairly false and fatal,

I moved one foot

and again heard that sob,

still softer and sadder,

coming from still nearer.

And again I thought I had stepped on someone. 

Someone totally exhausted.

XII

In N. I stood on the ground

and I saw crows forgetting themselves

on decaying roofs, sea gulls making love

in a cloud of white feathers.

Then I took flight.

But nowhere did the sun shine.

And I was assaulted by fear: his raucous laughter-

“Psst, I’ll be gone in no time!”-his beak in my neck. 

Swans sauntered through the streets,

looked up, astonished.

“Psst, I’m almost done!”-fear,

it would not let go of me.

XIII

In N. I saw death.

He was snapping roses and beating his chest, but, out of modesty,

pulled the hair out of his head,

but, out of boredom,

got excited and yawned

and then walked on.

We were slugs, he called out, of the rainy kind,

we didn’t understand a thing!

I was tired,

but not forever.

And suddenly I knew:

so that’s his drift.

Or was he walking in circles? 

Was he circumventing me?

XIV

In N. I visited offices.

They opened their doors

then became intrusive, grubby,

annoying.

One office pinched my ankles

and the other blew down my neck.

“We want to possess you,” they hissed,

I quickly slipped away.

The offices panted, hiccoughed, and called after me

that, as far as they were concerned, I could get lost,

they knew better!

In N. I also visited drawing rooms

and furious palaces.

XV

In N. life was a bit like a fat lady

cooing and cackling

about nothing,

continuously wiping her hands on an apron

and full of information about pancakes, bird feed,

and strange rumors.

I remember how once I turned a corner

in N.

and thought I would die

and then heard that cooing again

and realized I was at least immortal.

XVI

In N. I was disillusioned and cautiously started

to scream.

Windows opened.

Cyclists dismounted, bowed their heads,

and someone jumping from a bridge suddenly became a bird,

crowed,

flew skimming the water,

asked himself in despair

what he had misjudged.

In N. fear could be dished up from vats of syrup.

“Spread it thickly,” was the saying.

In N. vipers were let loose.

XVII

In N. I looked up my mother.

“Well, well,” she said, measured me for size, dressed me in a black suit,

motioned me to follow her.

She walked fast, I had to keep running. 

But, before I grew out of breath,

she jumped aside, into a hole, behind a hedge, between blooming shrubs.

Thrushes sang there, mosquitoes buzzed,

and once she lay there well and good

having smoothed out all her wrinkles

she looked up

and pointed at my lips, making me sing softly

-as she herself rocked along:

“Leave me, do leave me alone.”

XVIII

In N. I was always allowed to be cheerful.

“Go ahead! Of course!”

And when I wished to be friendly there were plenty

of friends,

and strangers.

But when I asked whether I could be

at my wit’s end,

they said: “No,”

in icy tones.

I sighed that was just tolerated.

Bowed my head-if need be.

Thought about death-

“Why don’t you walk on a bed of roses?” they asked.

“Don’t you appreciate the day and yourself?”

The air turned white, crows sat on wires,

rocking slowly back and forth. “Why,

they asked in N., “why do you now stand still?”

XIX

In N. I was heedless of danger

and carelessly let myself be killed.

Should they use a bullet,

or would I prefer a knife?

A knife somehow had style.

I was not afraid.

“Besides, fear has been used up.”

I heard someone sing.

up,

But as soon as the knife flashed

I saw the shadow of fear,

I heard the twittering of fear, saw it leap up in surprise. Feathers

whirled upwards.

XX

In N. I was excessively tired.

I asked extensively for help,

but no one rushed to the rescue.

“We’re glad to see you suffer, though it’s only for a while,”

they wrote me

and they referred me to myself.

I complained elaborately, kept calling out “Help,”

kept falling in the mud, was always found,

but never missed

and not a glimmer of hope spread any light

in me.

“We will never back you up” was written

on the walls in N.

Then a shocking ending

approached inquisitively.

XXI

In N. I was unable to sleep.

My thoughts were wild and woolly

-actually you should, but really you ought to, or better still …

They took off,

turned corners

and left me behind,

dreadfully awake.

And my walls were being pounded upon,

and there was a whispering, a scream, and something was smothered,

something broke loose

and, coughing, someone called out for his god.

I fell into a tiny, arid

sleep.

XXII

In N. a woman assaulted me.

“Hurt yourself!” She screamed. I was very likable that day

and fell over with the greatest possible love into a bed of blossoming roses.

When I looked up she had caught fire.

“Put out my fire,” she said softly,

gave me a glass of water

and a small cloud of wine,

pulled me up to my feet,

and we suffered no more,

on that day.

XXIII

In N. I saw the dead

listlessly button their coats, get up

and walk along lanes.

They hardly noticed me.

“Didn’t I drown?”

asked one of them gloomily.

“No, that was me,” said another.

“And I?” asked someone glumly.

“How was it that I passed away?”

“Look,” said one of them,” there is a wall.” They stood watch by my thoughts,

snickered,

kicked here and there to make a mess of things.

XXIV

There was a stamping of feet and a screaming in N.,

but so subdued and drawn out…

hating was soft, almost downy,

the red one turned was closer to pink, like butterflies

one defended oneself.

One dreamed slowly, timidly about pride,

revenge,

struck the table with matches,

spoke in whispers about soon, perhaps, or later…

and very cautiously one dreamt oneself nauseated.

Till suffering became a certainty.

Then one looked about,

staggered

and wept.

XXV

A dry wind blew through N.

and someone accosted me,

asked if I were missing something, no matter what,

something beautiful perhaps, light, or made of silver

I thought about it,

the other insisted,

tenors were singing-high and low:

“There has to be something! There has to be something!”

But I could not think of what.

“Alas,” I said.

Then I no longer saw anyone,

remembered what it was

and shivered.

XXVI

In N. I closed up shop.

They shook me, beat on me,

let footsteps die away, then.

But they returned,

broke holes in me and forced their way in,

looked about, searched, called,

misunderstood each other.

And so many echoes, so many rooms!

They left, empty-handed,

and I remained, cold and dilapidated,

and the rain came in

and my walls were peeling, weeds grew

as high as my roof

and mice galloped through my thoughts-

long corridors filled with dust and awe.

XXVII

A heavy rain fell in N..

water streamed through the streets,

sought something to carry away,

found a rose

on the verge of wilting, a red rose,

broke it off, swept it along, with reckless speed,

whirled it about, knocked it against houses,

ever wilder, faster,

till a man

caught up with it-I believe it was me-

who was carried away to the sea.

XXVIII

In N. I stood in front of a shop window

full of wooden candies and marble cakes

and my smile was that shop window

and my astonishment that evening, so abandoned

on the edge of existence.

XXIX

In N. I was allowed to start life over again.

But I had to make a quick decision.

The sun shone

and just then I hurt less

than ever,

and my life continued,

walked on hurriedly,

suddenly began to run,

called back once more:

“What’s keeping you?”

XXX

In N. I was lying on a tiny deathbed,

but got cramps in my feet,

became infuriated,

called out: “Which one here is my brother?’

jumped up

and went on living.

“Impossible,” they said.

But I allowed them to pinch me,

cried “Ouch,”

and they believed me.

“I’ll never die again!” I said. “Never.”

But already a huge deathbed was being cemented

below my windows,

I heard the hammering and sawing

and heard the singing of countless voices:

“For me and everyone…”

I kept silent.

XXXI

At times I searched in vain for N.,

dug through the snow towards N.,

sent off crows to find N.

They returned, their wings bloody,

their beaks snipped off.

“Something is wrong!” I exclaimed.

“Or else, don’t come back!”

XXXII

In N. I began to doubt my feelings,

rejected all I had been thinking,

refused to accept that I could be of use to myself.

But the wind rose, rattled the windows.

My thoughts stopped,

I bent my head

and asked for a moment of silence

because my lips were trembling.

But the wind howled

and, trembling all the while,

I asked myself:

so now, am I inconsolable,

should I be sobbing

or is doubt enough?

But the wind lifted me up,

as if I were dust,

and decided my fate.

XXXIII

In N. I found the fire

with which I wanted to play.

“And will you, too,” I asked, “devour me

if I should lose

or no longer know

how to continue to play?”

The fire roared,

licked my feet.

“Retreat!” it crackled,

but I didn’t know what it meant.

XXXIV

In N. I was shown the self-importance

of desire,

I heard how elaborately it heaved its sighs,

felt the grotesque caresses of its fingers

burning with longing,

while its ridiculous promises

tripped over the words, crowded

in front of the windowpane

behind which everything already lay glistening that would soon be inevitable.

In N. I then bought some scornful laughter, wrapped in a bit of paper, it seemed delicious, sauntered along pleasantly,

walked myself to death with great satisfaction.

XXXV

In N. the houses were crazy,

twisted themselves crooked,

heard voices in their attics:

“Collapse!”

and they collapsed.

I ran away,

but their doors pursued me,

in each door a suspicious window,

clung to me,

discovered who I was

and forced me

to have respectable thoughts.

Then they fell shut,

drew bolts in my face.

XXXVI

In N. I arose. One certain day.

My ribs were showing

and the sun shone on me.

I hummed. I was alone. Nothing impossible

was alien to me.

It was summer

and I rose up higher and higher.

I hung there like a lion-my mane

pulled me upwards.

They crowded forward beneath me,

cursed, scolded:

“Let us hear from you,’

waited, ground their teeth.

And still I refrained from screaming,

hummed something sad,

poignant.

But I waved.

And they cried: “If needs be

we’ll allow this!”

Shook their fists.

Freedom.

XXXVII

In N. they asked: “Who are you thinking of?”

“No one,” I said.

“Then think of you,” they said.

And I thought of you-

and they allowed roses to bloom and swiftly fade again,

left an ancient ship to decay on a sandbank,

by the light of an unsightly moon,

while I thought about you,

not sure if I would ever think of anything else.

XXXVIII

In N. I saw a net

-“Here are the loopholes!”-

through which something had escaped.

But what?

No one knew,

they spoke of sorrow, happiness, accomplished facts.

“Why don’t you look it up,” they said

and I walked, like fingers along the strings of an instrument,

through every street

and I saw the rain that would fall on me

and wrinkles I saw and inextricable thoughts

and in a harbor I saw malevolent water

and I learned to tremble

and how I should lower my eyes

an how I should break off with my conscience,

and I heard the crunching of my soul

under my feet

and I saw how strictly they kept a watch on passion.

The sun shone darkly

evening fell

and cautiously I lost my senses,

then.

That’s how I went along

and sorrow walked ahead of me, like a dog,

seemed to skip at times,

showed me the way.

XXXIX

In N. a voice spoke,

slow and sharp,

on a day of rain and monstrosity:

“I can’t go on, I cannot go on.”

And I stood still and lifted my hands to heaven. And a miracle fell down,

fell to the ground in front of me,

but, before I could experience it,

a foot stepped on it, though, oh,

not on purpose,

and again the voice spoke,

I lifted my hands to heaven.

XL

In N. I spoke to death.

“Don’t be afraid,” he said.

“Of what?” I asked.

He had no idea. But he was cold,

he said,

blew in his hands,

asked if I wanted to shiver

and as we stood there in a peculiar sort of slime

and turned blue, even gray,

without having said another word,

life walked by-

it seemed to be limping,

white and crooked.

“Psst,” said death. “Don’t look back.”

“At what?” I asked.

XLI

In N. I began to be missing,

had disappeared all of a sudden. Nothing

was reminiscent of me.

These were strange days.

My sighs were no longer heaved

and my affection searched for me in all my drawers,

my most beautiful memory sat in a corner,

did not know about whom she should be thinking,

while my despair danced with no one

in her arms,

finally delivered

of me.

XLII

In N. I saw a pen

that roamed through the streets-so abandoned

was this pen,

and so alone, without fingers,

it described N.

No storm took hold of it, it wrote and wrote.

And I, who could have read, have known it all,

I was always in a hurry,

still had to make one fatal misstep,

for this I had promised,

lost it always out of sight.

XLIII

In N. I fell in the water,

it was almost night

and they called out-from lifeboats:

“In due time you will be rescued, but not

until it is too late!”

“Too what?”

“Too late,” they called. “Too late!”

The horizon, the houses, the glistening

Waves…

The sun went down

and this is how it gets to be too late, slowly

and permanently too late

and the rescue can at last begin.